Geschiedenis

(onderaan de pagina oude voertuigen van post Smilde)

door Ger Ax

Het ontstaan van de Smildeger brandweer

In 1677 kregen de gebroeders Van der Heiden in Nederland octrooi voor de door hen ontwikkelde slangbrandspuit. Deze nieuwe spuit bleek een grondige verbetering te zijn in de brandbestrijding, maar dat betekende nog niet dat ze overal meteen werd ingevoerd. In de achttiende eeuw waren er een paar kerspelen in Drenthe die tot aanschaf overgingen. In Meppel beschikte men in 1708 over een spuit die speciaal door Jan van der Heiden werd gedemonstreerd. In Coevorden stelden burgemeester en gezworenen trouwens na een grote brand in 1684 al voor een brandspuit aan te schaffen, maar het eerste bewijs voor het bezit ervan in deze stad dateert van 1738. Assen volgde in 1759. Smilde was in 1827 ook zo ver. Met het invoeren van een brandspuit werd ook een begin gemaakt met het organiseren van de brandweer.1

Tijdens de gemeenteraadsvergadering van Smilde op 13 november 1826 werd besloten een eigen brandspuit, “een der noodzakelijkste behoeften in dezer gemeente”, aan te schaffen. Het gemeentebestuur was ervan overtuigd dat een brandspuit in Smilde bijzonder nuttig zou kunnen zijn. De gemeente was immers “zoodanig met vaarten of kanalen doorsneden dat overal waar brand mogt ontstaan de brandspuit met regt kan gebezigd worden”. De raad reserveerde een bedrag van zeshonderd gulden. Deze geidsom kon worden gevormd uit de nog te ontvangen bedragen die in de Franse tijd als voorschotten beschikbaar waren gesteld.2 Voor het timmeren van een behuizing voor de brandspuit werd een bedrag van driehonderd gulden opzij gelegd. De bergplaats moest worden gebouwd “in de kom der gemeente en wel zoo, dat hetzelve bij eene brug over de Hoofdvaart geplaatst zij”. Men was het erover eens dat de berging zich niet te ver van de burgemeesterswoning mocht bevinden.3
Tijdens de raadsvergadering van 1 maart 1827 werd een commissie uit de raad gevormd, bestaande uit de heren L. Hovingh en E. Tonckens, die de weduwe Lucas Oldenhuis Kymmell moest verzoeken of zij een stuk grond bij haar huis wilde afstaan om daarop het huisje voor de brandspuit te kunnen bouwen.
Overigens was de weduwe Kyminell de moeder van de in 1825 benoemde burgemeester Coenraad Wol- ter Ellents Kymmeli. Reeds de volgende dag wist de commissie te melden dat de weduwe Kymrnell niet genegen was de grond te verkopen. Wel had ze toestemming gegeven om de bergplaats op haar grond te bouwen, maar alleen op voorwaarde dat als het haar niet meer gelegen kwam, de hele boel weer afgebroken zou worden. Daarmee stemde de raad in.4

Opbouw van de Organisatie
Voor de bediening van de brandspuit en het onderhoud ervan moest een organisatie in het leven geroepen worden. Zo moesten er twee brandmeesters benoemd worden voor een periode van zes jaar. Zij stonden onder toezicht van het gemeentebestuur en waren verantwoordelijk voor het in goede staat houden van de brandspuit. Ontdekten zij bij oefening of bij werkelijk gebruik gebreken, dan moesten zij dit schriftelijk melden bij het gemeentebestuur.
Tweemaal per jaar, in de maanden mei en oktober, moest de spuit ten overstaan van het gemeentebestuur en onder gezag van de brandmeesters worden gedemonstreerd. Het volgende onderdeel van de Smildeger brandweer zou worden gevormd door een veertiental zogeheten “vertrouwde personen”. De aanstelling gold voor onbepaalde tijd. In geval van brand moesten zij ervoor zorgen dat er geen wanordelijkheden ontstonden en de toegangen naar de brand afsluiten, de huizen bewaken en de goederen uit het door brand getroffen huis veiligstellen. Ook werd er van hen verwacht dat ze alle vreemde en onbevoegde personen uit deze huizen weerden. De inboedel van een door brand beschadigde woning moest soms elders worden ondergebracht.
Dat gebeurde in Smilde meestal in het plaatselijke schoolgebouw waar de spullen dan bewaakt werden door de vertrouwde personen. Zij waren gehouden aan de orders die zij ontvingen van het gemeentebestuur.
De derde personele poot waar de brandweer van Smilde op stoelde, diende te worden gevormd door de “werkende leden”. Deze groep moest bestaan uit een pijpgast, een assistent pijpgast, een zakkendrager, vierentwintig spuitgasten, vier lantaarndragers en eventueel waterdragers en hakendragers. De taak van de pijpgast was het bedienen van de straalpijp, die op de brand-, haard gericht werd. Het behoorde ook tot zijn
werkzaamheden om de brandspuit tweemaal per jaar te smeren, het brandspuithuisje te luchten, en verder te zorgen dat alles in een goede staat bleef. Hij was tevens verplicht om na een oefening of na het gebruik van de brandspuit de slangen goed te drogen en in te smeren. Als hij om een of andere reden buiten Smilde moest zijn, moest hij zijn ophandenzijnde afwezigheid melden aan de assistent-pijpgast. De zakkendrager moest zorgen voor het vervoer van de zakken met voldoende lappen, pekdraden en gereedschap. Voor alle benodigdheden moest hij zich melden bij de brandmeesters. Het was de taak van de lantaarndragers om tijdens het blussen van de brand de waterscheppers, de spuitgasten en de pijpgast zo nodig van licht te voorzien. Spuitgasten hadden als taak het verpompen van het water door de brandsiangen naar de straalpijp, die werd bediend door de pijpgast. Zij moesten in ploegen van zes personen werken en vanwege de zware arbeid elk kwartier worden afgelost. De spuitgasten zouden jaarlijks benoemd worden. Was de brandspuit niet voorzien van een zelfaanzuigende pomp, dan moesten de waterscheppers het water in de pomp scheppen. Hakendragers werden belast met het omtrekken van onderdelen van daken en muren ter bestrijding van de brand of ter voorkoming van uitbreiding ervan. Alle werkende leden van de Smildeger brandweer kregen een jaarlijkse beloning van tien gulden. Bleken zij in hun werk nalatig, dan volgde een boete van één gulden en veertig cent.5

Het benoemen van de leden
Ruim een jaar later, in de gemeenteraadsvergadering op vrijdag 7 december 1827, werd voor het eerst overgegaan tot de benoeming van de “leden tot de spuit en verdere aankleve”. Deze dag kan dan ook officieel worden beschouwd als de dag van de oprichting van de georganiseerde brandweer van Smilde. Een benoeming kon niet worden geweigerd. Het reglement voorzag in strafmaatregelen voor onwilligen. Als eerste ging men over tot het benoemen van de brandmeesters, te weten de heren W. J. Vennik en J. Bruins. Als pijpgast werd gekozen de heer E. de Vries, zijn assistent werd E. Ridder en J. Ensing werd de zakkendrager. Verder benoemde men 32 spuitgasten en vier lantaarndragers en tenslotte wees men de zogeheten vertrouwde personen aan, in totaal veertien man.6
Het brandweerkorps bestond dus uit maar liefst 55 personen, die allen door de gemeenteraad waren aangewezen. Het oproepen van de brandweerlieden voor een oefening werd gedaan door het plaatselijk bestuur, door middel van de zogeheten kerkenspraak (een aankondiging in de kerk). Als er echt brand was, werd de kerkklok geluid. Na afloop van de bluswerkzaamheden werd aan de manschappen volgens artikel 11 van het “Reglement van geëmployeerden”, een mengel bier (ongeveer 1 liter) verstrekt.
Eenieder die bij de Smildeger brandspuit hoorde, kreeg een sleutel van het brandspuithuisje, zodat de spuitgasten zich meteen na de melding van een brand bij de spuit konden vervoegen. Zij waren verplicht bij de spuit te blijven totdat deze na oefening of het blussen van een echte brand weer op zijn plaats stond.
Wie hier niet aan voldeed, liep kans te worden beboet. Als een spuitgast bijvoorbeeld bij een oproep in geval van brand niet aanwezig was op het eerste appel of hij had nagelaten voor een bekwame vervanger te zorgen, kon er een boete van 60 cent volgen. In uitzonderlijke gevallen kon de boete oplopen tot twaalf gulden. Alleen als iemand bij het uitbreken van een brand niet in de gemeente aanwezig was, konden burgemeester en assessoren ontheffing van de boete geven.
Ook van de overige dorpelingen, werd verwacht dat ze bij brand meehielpen. Bij ontdekking van brand moest uit ieder huis iemand, die niet tot de brandspuit behoorde, zich na aanzegging of “na het kleppen der Klok, of het roeren der trom”, voorzien van een emmer, begeven naar de plaats waar de brand was. Aldaar moesten de dorpelingen meehelpen met het blussen. Bij turfbrand of hij brand op korte afstand van het bewoonde gedeelte van de gemeente werden de bewoners door het plaatse lijk bestuur opgeroepen om “voorzien van eene spade of eenig ander graafgereedschap” zich op een aangeduide plaats te vervoegen om uitbreiding van de brand te voorkomen. Bij weigering van de gevraagde hulp volgde een boete van anderhalve gulden.7

Maatregelen ter preventie
Voorkomen is echter beter dan genezen. Daarom werd tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 18 januari 1836 een aantal regels ter voorkoming van brand opgesteld, opgenomen in het “Reglement ter voorkomen en blusschen van brand in de gemeente Smilde”. Dit reglement legde de bewoners van Smilde verscheidene plichten op. Zo moesten ze de daken van hun huis met pannen bedekken. Als iemand dakbedekking van riet of stro wilde, dan moest daarvoor toestemming worden verleend door het gemeentebestuur.
Brouwerijen, branderijen en bakkerijen moesten zodanig zijn ingericht dat daar geen gevaar van brand kon ontstaan. De aanwezige fabrieken en werkplaatsen werden door het plaatselijk bestuur gecontroleerd, waarna zij binnen een gestelde termijn eventuele tekortkomingen moest herstellen of verbeteringen aanbrengen. Aan nieuwe fabrieken en werkplaatsen werd als eis gesteld dat deze pas na goedkeuring van het plaatselijk bestuur in gebruik mochten worden genomen. Iedere ingezetene welke “geene liggende plaat of aschkolk in Zijne woning” had, moest zorgen voor een goede vuurstulp, en deze moest ‘s nachts of bij afwezigheid overdag over de stookplaats geplaatst zijn. Ook moch te uitsluitend dichte lantaams worden gebruikt met daarop in olieverf geschilderd de naam van het gezinshoofd.
Het was streng verboden om vlas of heim bij het vuur te drogen of bij een lamp of bij kaars- lichtte bewerken (slijpen, ribben of hekelen). Het roken in schuren, stallen of bewaarplaatsen van turf enlof stro was niet toegestaan, ook niet van “eene pijp met eene dop voorzien”. Evenmin was het toegestaan hout, hooi of ander brandbaar materiaal binnen een afstand van twee ei (een meter) van schoorstenen en stookpiaatsen te leggen. De as mocht niet in houten emmers of vaten worden geschept en mocht pas vervoerd worden nadat ze eerst was natgemaakt en volkomen uitgedoofd. Men mocht de as niet op een mesthoop werpen, maar moest deze in een asgat brengen dat tenminste vijftien ellen van een huis of schuur verwijderd was. Bij het in- of uitladen van hooi, stro, turf of andere licht brandbare stoffen, was het verboden te roken. Ook wanneer dekkers, timmerlieden en dergelijke handwerklieden werkzaamheden in of op huizen en gebouwen verrichtten, mocht ze niet buitenshuis roken, behalve wanneer ze een pijp bezaten voorzien van een dop. Op overtreding stond een boete van 30 cent. 


Het stoken van vuren om bijvoorbeeld krulspanen en dergelijke te verbranden was alleen toegestaan op een afstand van ten minste dertig ellen van de huizen en andere brandbare stoffen en men was verplicht om aanwezig te zijn bij het verbranden. Bij het verlaten van de brandplaats moest het vuur geblust zijn. Turfgravers, turfieggers of anderen mochten geen vuren in de velden en venen aanleggen en stoken, behalve in een put of kuil van een zodanige diepte dat het vuur bestand en beveiligd was tegen de werking van de wind. Bij het verlaten van de brandplaats moest ook hier het vuur geblust zijn. Het vervoeren van kolen- vuur en brandende turven mocht alleen in een pot of bus die in goede staat verkeerde. De vergunning om in een put of kuil vuren te stoken kon bij kerkenspraak worden ingetrokken. Bij strenge vorst, storm of hevige wind was het altijd verboden in de velden of venen vuur te ontsteken.
Bij vorst golden speciale maatregelen. Zo was ieder huisgezin verplicht om in de winter in de vaart, of in een wijk een bijt te maken en open te houden van één ei en vijf palmen (anderhalve meter) lang en een ei breed. Bij nalatigheid volgde een boete van dertig centen. Woonde er in een huis meer dan één gezin dan kon men toch volstaan met “eene bijte”. Deze bijten moesten altijd ‘s morgens voor negen uur, en bij strenge vorst ‘s avonds voor zonsondergang open worden gehouden met rondom vier pal- men (40 centimeter) sneeuw- en ijsvrij om er in geval van brand behoorlijk gebruik van te kunnen maken. Het gemeentebestuur stelde als eis dat er passende maatregelen werden getroffen om te voorkomen dat er kinderen en schaatsenrijders in de bijt terecht konden komen. Op nalatigheid stond een boete van 15 cent.
Het plaatselijk bestuur zag toe op de naleving van het reglement. In de maanden mei en november stelde het bij de ingezetenen een Onderzoek naar de schoorstenen in, evenals bij de brouwerijen, de branderijen, de bakkenjen en bij de fabrieken waar vuur gestookt werd. Ook werden de lantaarndragers en de vuurstulpen gecontroleerd. Zo had de aanschaf van een brandspuit in 1827 in Smilde in de eerste helft van de negentiende eeuw geleid tot het oprichten van een eigen brandweer en het treffen van een uitgebreide reeks maatregelen ter voorkoming van brand.8

Bron
Medewerking aan de totstandkoming van dit artikel werd verleend door de heer G. Koppers, directeur van het Nationaal Brandweer Documentatie Centrum, te Amsterdam en de heer H. Dollekamp, postcommandant van de brandweer te Smilde.

1. A.C. Broeshart, De geschiedenis van de brandweer in Nederland (s.l., 1980); F.S.M. van Werven, ‘Meppeler brandweer. De brandbestrijding in Meppel in de loop der jaren’, Oud Meppel, 4 (1982), nr. 1; Bert Roest, Coevorder brandweer. Tussen emmer en nevelspuit 9 (Coevorden, 1984).

2. Gemeentearchief Smilde (GAS), Handelingen van het gemeentebestuur 1826-1834 (Handelingen), 18-5-1826 en 13-11-1826; GAS, Uitgaande brieven 1825-1912, 12-1-1927; Ter vergelijking: Assen trok in 1759 negenhonderd gulden uit voor “Een grote Spuijt no. 1 met een suijgpomp” met toebehoren. Job. Drenten, Brandmeester, brand meeste r! (Assen, 1985), 11.

3. GAS, Handelingen, 13-11-1826. In de nabijheid van het huis, bewoond door de Comrnies Rijnbach, leek de raad een geschikte plek. Deze woonde Wijk B, nr. 149, later Kanaalweg 26 genoemd. Dit huis staat echter 1600 meter verwijderd van de plaats waar het brandspuithuisje uiteindelijk is geplaatst.

4. GAS, Handelingen, 1-3-1827 en 2-3-1827; H. Gras,
Langs de Vaart. Geschiedenis van Smilde (Smilde, 1997) 205.

5. GAS, Handelingen, 10-10-1827.

6. GAS, Handelingen, 7-12-1827. De namen van de spuitgasten zijn: H.F. Pomper, J. Albertus Olijve, Willems ten Wolde, Pieters de Vries, Jene F. Meilof, Jan Bos, Jannes Witvoet, L. Dieters Douwma, Kornelis Offereins, J.R. Claus, Roelof Smidt, Jan Kiers, F. Arnsing, E. Stoker, A.W. Baas, E. Boonstra, Harm Daling, Jan Kremer, H. Heujer, Roelof Bloemberg Smidt, Gemt Smidt, Gerbe Oetzes de Vries, Roelof Mulder, L. Straatman, Jannes Buwolda, H. Meijers, H.J. Drenthen, Korneis Feijen, Berend Hilberts, H. Meijering, Joh. Leertouwer en Andries E. Visser. De vier lantaarndragers waren:
R.J. Bennink, H. Mulders, H. de Vroome en J.O. Brunstinge. De veertien vertrouwde personen waren: H.M. de Vroome, W. Vennik, J. Bijnema, L. Fledderus, R. Kramer, K. Smidt, J. Sikkens, Jannes Blomsma, Anne Pomper, Bruin Feijen, Otte Brugginlc, Kornelis Lensen Boer, L. Fledderus sr. en Anthe Mast.

7. GAS, Raadsnotulen 1834-1844, 18-1-1836, Reglement op het voorkomen en blusschen van brand in de gemeente Smilde (Art. 21).

8. GAS, Raadsnotulen 1834-1844, 18-1-1836.

Geschiedenis Duikteam brandweer Smilde

In 1992 is de vrijwillige brandweer Smilde uitgebreid met eigen duikploeg. Met gemiddeld 30 duikuitrukken per jaar nam de duiktaak een belangrijke plaats in binnen de brandweerpost. Het verzorgingsgebied omvatte ruwweg het gebied van Noord en Midden-Drenthe. Ook daarbuiten is nooit tevergeefs een beroep gedaan op het duikteam. 

Op 1 april 2012 kwam, na ruim 20 jaar, een einde aan het bestaan van het duikteam.

Het team bestond op dat moment nog uit 4 duikers, 3 duikploegleiders en 6 assistenten duikploeg (zie foto).

Voor welke taken werden wij als duikteam ingezet?

  • het redden van te water geraakte personen

  • het redden van personen uit te water geraakte voertuigen

  • het redden van dieren in nood, in en op het water

  • het opsporen en bergen van verdrinkingsslachtoffers

  • het opsporen van te water geraakte voertuigen en assistentie bij berging, als deze voertuigen een gevaar vormen voor de scheepvaart of onmiddellijke bedreiging vormen voor het milieu

  • het opsporen en bergen van voorwerpen ten behoeve van justitie

  • de beveiliging van evenementen op en rond het water (onder voorwaarden)

Foto duikploeg 2011



Oude voertuigen brandweer Smilde.

Soort:AS8 LD800
Merk:Ford-T van Bergen
Kenteken:D-5877
Bouwjaar:1928
In dienst:1928
Uit dienst:onbekend


Soort:PM11
Merk:Nash Planken
Kenteken:D-13482
Bouwjaar:onbekend
In dienst:1943
Uit dienst:onbekend


Soort:AS10 LD2800
Merk:Chevrolet 5703H, Kronenburg
Kenteken:RB-90-63
Bouwjaar:1956
In dienst:1956
Uit dienst:1974


Roepnummer:813
Soort:AS8 LD1800
Merk:Mercedes Benz LF408B29
Kenteken:72-73-GB
Bouwjaar:1974
In dienst:1974
Uit dienst:1991

Roepnummer:833
Soort:TS8 HD250 T800
Merk:Mercedes Benz LF608D29
Kenteken:68-19-AB
Bouwjaar:1974
In dienst:1974
Uit dienst:1989


Roepnummer:853 / 2811
Soort:TS10 LD2600 HD265 T1500
Merk:Volvo FL611-34
Kenteken:VF-31-JY
Bouwjaar:1989
In dienst:1989
Uit dienst:2005


Roepnummer:813 / 2852
Soort:AS10 LD2600
Merk:Volvo FL611-32
Kenteken:VK-67-KP
Bouwjaar:1991
In dienst:1991
Uit dienst:2009


Bron: http://www.brandweerdatabase.dds.nl/BVO/korpsen.php?page=home